Uitspraak
1.Inhoud van het verzoek
2.Procesverloop
3.Beoordeling van het verzoek
Nihilstelling eigen bijdrage
Gerechtshof Amsterdam
Appellant verzocht om vergoeding van de eigen bijdrage die hij had betaald voor rechtsbijstand in een strafzaak, nadat zijn beklag niet-ontvankelijk was verklaard wegens eerdere teruggave van in beslag genomen zaken.
De rechtbank had het verzoek tot vergoeding afgewezen op grond van artikel 44, tweede lid, van de Wet op de Rechtsbijstand. Het hof nam kennis van de stukken en hoorde partijen in raadkamer. De advocaat van appellant stelde dat de Raad voor de Rechtsbijstand onterecht geen nihilstelling van de eigen bijdrage toepaste bij niet-ontvankelijkheid.
Het hof overwoog dat hoewel het geautomatiseerde systeem van de Raad geen nihilstelling voorziet in deze situatie, de Raad zelf bevoegd is om een oplossing te bieden. De werkinstructie van de Raad geeft aan dat in gevallen van niet-ontvankelijkheid zonder strafoplegging nihilstelling mogelijk is, mogelijk niet via het systeem maar op andere wijze.
Daarom is er geen grond voor vergoeding ex artikel 591a Sv. Het hof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van appellant in zijn verzoek tot vergoeding van eigen bijdrage.