Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de strafzaak over mishandeling van een Amerikaanse Bulldog. De verdachte werd ervan beschuldigd zijn hond meerdere keren te hebben geslagen en gestompt, waardoor het dier letsel opliep. Het hof achtte bewezen dat de verdachte op 4 juli 2015 zonder redelijk doel en met overschrijding van het toelaatbare opzettelijk pijn en letsel aan zijn hond had toegebracht.
De bewijsvoering bestond uit getuigenverklaringen van twee getuigen die de mishandeling zagen en de toestand van de hond bevestigden, foto’s van het letsel en een verklaring van de dierenarts over stomp trauma. De verklaring van de verdachte dat de hond tegen een auto was gelopen, werd niet geloofd. De verdachte had bovendien tegenover de politie toegegeven hardhandig te zijn geweest.
Het hof verwierp het verweer van de verdachte en oordeelde dat het bewezen verklaarde strafbaar was volgens artikel 2.1 lid 1 van de Wet dieren. Gezien de ernst van het feit, de afhankelijkheid van de hond van de verdachte en eerdere veroordelingen van de verdachte, legde het hof een taakstraf van 30 uur op met een proeftijd van 2 jaar. De hond werd verbeurd verklaard. Bijzondere voorwaarden werden niet opnieuw opgelegd omdat die reeds in een andere strafzaak van kracht waren.