In deze zaak stond verdachte terecht voor diefstal uit een woning te Haarlem op 12 januari 2014, waarbij hij met braak toegang tot de woning verschafte en diverse goederen wegnam. De politierechter veroordeelde verdachte tot 6 weken gevangenisstraf. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld.
Het hof nam kennis van het dossier, waaronder DNA-bewijs op een colaflesje dat aan verdachte kon worden gekoppeld. Verdachte ontkende aanvankelijk aanwezig te zijn geweest in de woning, maar bekende na confrontatie met het DNA-bewijs meerdere malen in de woning te zijn geweest. Er was geen bewijs dat anderen de woning betraden. Het hof oordeelde dat wettig en overtuigend bewezen was dat verdachte de diefstal met braak had gepleegd.
Het hof achtte de braak als verzwarende omstandigheid en verhoogde de straf tot 6 weken gevangenisstraf, rekening houdend met het feit dat de woning tijdelijk onbewoond was. Verdachte had een strafblad voor vermogensdelicten. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en de mogelijkheid deze bij de burgerlijke rechter aan te brengen.