In deze strafzaak stond de poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen centraal, waarbij de verdachte zich toegang tot een woning verschafte door middel van braak. Het hof behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam, waarbij de verdachte deels was vrijgesproken.
Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak van een feit op 30 september 2014, maar vernietigde het vonnis voor het overige. Na beoordeling van het bewijs, waaronder camerabeelden en getuigenverklaringen, achtte het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met mededaders de poging tot woninginbraak had gepleegd.
De verdediging voerde aan dat de herkenning van de verdachte op camerabeelden onbetrouwbaar was, maar het hof verwierp dit verweer. Het hof hield rekening met eerdere veroordelingen en het reclasseringsrapport en legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op, met aftrek van voorarrest.