ECLI:NL:GHAMS:2016:5016

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 maart 2016
Publicatiedatum
25 november 2016
Zaaknummer
R 001239-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 591a SvArt. 89 SvArt. 258 SvArt. 313 SvArt. 314 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek niet-ontvankelijkheid vergoeding onrechtmatige detentie wegens zaaksbegrip

Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 591a Sv tot vergoeding van kosten voor het opstellen en indienen van een verzoekschrift op grond van artikel 89 Sv Pro. Dit verzoek volgt op een strafzaak waarin verzoeker deels is vrijgesproken en deels veroordeeld.

De voorzitter van de meervoudige strafkamer heeft het verzoek behandeld en het standpunt van de advocaat-generaal gehoord. De kern van de beoordeling betrof de vraag of de feiten waarvoor verzoeker is veroordeeld en de feiten waarvoor hij is vrijgesproken als afzonderlijke zaken kunnen worden beschouwd in de zin van artikel 591a Sv.

De voorzitter overweegt dat volgens vaste jurisprudentie de term 'zaak' in artikel 591a Sv dezelfde betekenis heeft als in artikel 258 Sv Pro, namelijk dat het gaat om al datgene waarop het rechtsgeding betrekking heeft. Omdat de feiten binnen één onderzoek ter terechtzitting zijn behandeld, vormen zij één zaak.

Daarom is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om vergoeding, aangezien het verzoek betrekking heeft op een deel van de zaak waarvoor hij is vrijgesproken, maar die niet als een zelfstandige zaak kan worden beschouwd. De beschikking is uitgesproken op 9 maart 2016.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om vergoeding wegens samenhang van feiten binnen één zaak.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Rekestnummer: R 001239-15 (591a Sv)
Parketnummer in hoger beroep: 23-005329-12
Beschikking op het verzoekschrift op de voet van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering van:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. [naam 1],
[adres].

1.Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van de forfaitaire vergoeding ten behoeve van het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het gelijktijdig ingediende verzoekschrift op de voet van artikel 89 Sv Pro.

2.Procesverloop

De voorzitter heeft kennisgenomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en van het onderhavige verzoekschrift, alsmede van het standpunt van de advocaat-generaal betreffende dit verzoek.
De voorzitter heeft op 17 februari 2016 de advocaat-generaal, verzoeker en mr. [naam 2] namens de advocaat van verzoeker ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de verzoeker.

3.Beoordeling van het verzoek

De verzoeker is bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 4 december 2012 vrijgesproken van het hem onder 6 ten laste gelegde en veroordeeld voor de andere hem ten laste gelegde feiten. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 september 2014 is de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen het onder 6 ten laste gelegde. De verzoeker is vrijgesproken van het hem onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde en veroordeeld voor het onder 5 ten laste gelegde (handelen in strijd met artikel 26 eerste Pro lid Wet Wapens en Munitie) tot een gevangenisstraf voor de duur van een week. Op 11 mei 2015 is het door het openbaar ministerie ingestelde beroep in cassatie ingetrokken. Namens de verzoeker is op 4 augustus 2015 een verzoekschrift ingediend.
Het verzoekschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
De strafzaak met voormeld parketnummer is niet geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel, of zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Evenmin is de zaak geëindigd met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat tussen de feiten waarvoor de verzoeker in voorlopige hechtenis heeft gezeten en is vrijgesproken en de bewezenverklaring van het voorhanden hebben van het stroomstootwapen geen relevante samenhang bestaat. Het zou tot een onredelijke en onaanvaardbare uitkomst leiden als de verzoeker geen aanspraak meer zou kunnen maken op een vergoeding voor door hem ondergane onrechtmatige detentie.
De voorzitter overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie dient in het geval dat een onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, onder “zaak” als bedoeld in artikel 258, eerste lid, Sv te worden verstaan “al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had”. De inleidende dagvaarding bepaalt de grenzen van het rechtsgeding met dien verstande dat deze grenzen nader kunnen worden bepaald door wijziging van de tenlastelegging op de voet van de artikelen 313-315a Sv of door voeging op de voet van artikel 285 Sv Pro waardoor twee oorspronkelijke zaken één zaak worden in de zin van laatstgenoemd artikel. De term “zaak” in de zin van 591a Sv heeft, nu er sprake is geweest van een onderzoek ter terechtzitting, dezelfde betekenis als in artikel 258, eerste lid, Sv.
In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen bestaat er geen ruimte het tenlastegelegde feit waarvoor verzoeker is veroordeeld en die waarvan hij is vrijgesproken, als afzonderlijke zaken als bedoeld in artikel 591a Sv te beschouwen.
Gelet hierop en op het feit dat het hier om vaste jurisprudentie van de Hoge Raad gaat, is verzoeker ook in het verzoek om vergoeding van de kosten ten behoeve van het opstellen en indienen van het gelijktijdig ingediende verzoekschrift op de voet van artikel 89 Sv Pro ten bedrage van de geldende standaardbedragen, niet-ontvankelijk.

4.Beslissing

De voorzitter:
Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.
Deze beschikking is gegeven door de voorzitter van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, mr. M.J.G.B. Heutink, in tegenwoordigheid van mr. K.D.M. de Lange als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 9 maart 2016.