ECLI:NL:GHAMS:2016:4260
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hof verklaart aannemingsovereenkomst niet schriftelijk tot stand gekomen en wijst schadevergoeding af
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand was gekomen die voldeed aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:766 BW Pro. Het hof kwam terug op een eerdere beslissing waarin werd aangenomen dat de overeenkomst was gesloten. Uit de correspondentie en getuigenverhoren bleek dat alleen over de koopsom schriftelijke instemming bestond, niet over de volledige inhoud van de overeenkomst.
Het hof oordeelde dat de aannemingsovereenkomst niet schriftelijk was vastgelegd en dat de uitzondering in artikel 7:766 lid 3 BW Pro niet van toepassing was. Hierdoor kon de overeenkomst niet als rechtsgeldig worden beschouwd. Daarnaast werd de subsidiaire vordering tot schadevergoeding wegens het afbreken van onderhandelingen afgewezen, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat hierdoor schade was geleden.
De eerdere beslissing werd vernietigd en het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd. De appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam op 25 oktober 2016.
Uitkomst: De aannemingsovereenkomst is niet schriftelijk tot stand gekomen en de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.