Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Restant persoonsgebonden aftrek
Restant persoonsgebonden aftrek
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende voerde in zijn aangifte inkomstenbelasting 2010 een restant persoonsgebonden aftrek op, maar de inspecteur stelde bij aanslag een aanzienlijk hoger bedrag vast door een fout in het geautomatiseerde systeem. Na bezwaar en beroep stelde de inspecteur het bedrag bij uitspraak op bezwaar vast op een lager, correct bedrag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat sprake was van een fout in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, AWR, die redelijkerwijs kenbaar was voor belanghebbende. Het hof bevestigt dit oordeel en oordeelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de fout een automatiseringsfout betrof, waarbij de juiste bedragen waren ingevoerd maar onjuist verwerkt.
Het hof overweegt dat de fout ruim en neutraal moet worden uitgelegd en dat de kenbaarheid van de fout voor belanghebbende voldoende is gegeven, mede omdat het vastgestelde bedrag ruim 30% hoger was dan het correcte bedrag. De herziening van de beschikking op grond van artikel 6.2a, derde lid, Wet IB 2001 is derhalve terecht. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.