Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verzoek
2.De feiten
3.De omvang van het geschil
primair:
subsidiair:
meer subsidiair:
Gerechtshof Amsterdam
De vrouw verzocht het hof om wijziging van een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 24 september 2014 betreffende voorlopige voorzieningen inzake kinderalimentatie, met terugwerkende kracht vanaf verschillende momenten. De man betwistte de ontvankelijkheid van het verzoek en stelde dat wijziging met terugwerkende kracht niet mogelijk is.
Het hof oordeelde dat het verzoek ontvankelijk is omdat het hoger beroep in de hoofdzaak aanhangig is en er voldoende samenhang bestaat tussen de voorlopige voorzieningen en de hoofdzaak. Vervolgens beoordeelde het hof of sprake was van gewijzigde omstandigheden of onjuiste gegevens die een wijziging met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
Uit het dossier bleek dat de man slechts gedurende een korte periode bij een bank in Londen werkzaam was en daarnaast onterecht WW-uitkeringen ontving die hij moet terugbetalen. Het hof vond echter onvoldoende bewijs dat de oorspronkelijke voorlopige voorzieningen op zodanig onjuiste of onvolledige gegevens waren gebaseerd of dat zich een zodanige wijziging van omstandigheden had voorgedaan om de beschikking met terugwerkende kracht te wijzigen.
Partijen bereikten overeenstemming dat de man vanaf 1 september 2016 €675 per maand aan kinderalimentatie betaalt en geen partneralimentatie verschuldigd is. Het hof bepaalde dienovereenkomstig en wees het meer of anders verzochte af. Elke partij draagt haar eigen kosten.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot wijziging met terugwerkende kracht af en bepaalt een kinderalimentatie van €675 per maand vanaf 1 september 2016.