In deze zaak ging het om een geschil over de naleving van een non-concurrentiebeding bij de verkoop van een lunchroom-cafetaria. Geïntimeerden hadden hun onderneming verkocht aan appellanten, waarbij een concurrentiebeding was overeengekomen dat hen verbood binnen 10 kilometer hemelsbreed een soortgelijke onderneming te drijven.
Geïntimeerden openden echter een nieuwe lunchroom binnen deze straal, wat door appellanten werd aangemerkt als overtreding van het beding. De voorzieningenrechter had appellanten deels in het ongelijk gesteld, met name over de reikwijdte van het verbod en het gebruik van de naam van de nieuwe onderneming.
Het hof oordeelde dat het concurrentiebeding inderdaad een hemelsbrede afstand van 10 kilometer omvat en dat geïntimeerden dit beding tot 27 juni 2016 hebben overtreden. De vordering tot staken van de onderneming werd afgewezen wegens gebrek aan belang, omdat de onderneming inmiddels was verkocht en geïntimeerden slechts verhuurder waren.
Het hof wees een voorschot van € 75.000 toe op de contractueel verbeurde boetes, waarbij het spoedeisend belang en de aannemelijkheid van de vordering werden erkend. Het beroep op misbruik van recht en andere verweren werden verworpen. De kosten van het hoger beroep werden aan geïntimeerden opgelegd.