Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
De man, biologische vader van een minderjarige die in 2009 werd geboren, verzocht om een omgangsregeling met zijn dochter. De vrouw, moeder en gezagsdrager, betwistte aanvankelijk het vaderschap, maar erkende dit later, waardoor het hof de man ontvankelijk verklaarde in zijn verzoek.
De Raad voor de Kinderbescherming bracht een rapport uit en adviseerde een aanhouding van het verzoek voor zes maanden om een traject te doorlopen dat gericht is op contactherstel. Echter, de minderjarige verbleef inmiddels bij haar grootmoeder in Ghana, waardoor praktische uitvoering van een omgangsregeling en statusvoorlichting niet mogelijk was.
Het hof concludeerde dat ondanks het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarige, het verblijf van het kind in het buitenland en de onduidelijkheid over haar terugkeer het belang van het kind schaadt bij toewijzing van het verzoek. Daarom werd het verzoek afgewezen en de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling wordt afgewezen vanwege het verblijf van de minderjarige in het buitenland en het belang van het kind.