Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen hadden een relatie van 2002 tot 2014 waaruit een minderjarig kind is geboren. Na het beëindigen van de relatie verzocht de vrouw om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind, vastgesteld op €512 per maand door de rechtbank.
De man kwam in hoger beroep en stelde dat zijn draagkracht lager was dan aangenomen, mede door negatieve resultaten van zijn ondernemingen. Het hof onderzocht de financiële gegevens en concludeerde dat het verlies van een onderneming het gevolg was van een boekhoudkundige toedeling en niet representatief was voor zijn verdiencapaciteit.
Het hof berekende de draagkracht van de man op €1.468 per maand in 2014 en €635 in 2015, en die van de vrouw op €25 per maand. Na verrekening van zorgkorting en gezamenlijke draagkracht werd de alimentatiebijdrage van de man vastgesteld op een bedrag dat dicht bij de rechtbanksbeschikking lag.
Omdat de vrouw geen hogere bijdrage vorderde, bekrachtigde het hof de beschikking van de rechtbank en handhaafde de alimentatiebijdrage van €512 per maand met ingang van 5 oktober 2014.
Uitkomst: De kinderalimentatiebijdrage van €512 per maand wordt met ingang van 5 oktober 2014 bekrachtigd.