De zaak betreft een geschil over de afwikkeling van het dienstverband van [appellant] met Draka na een onregelmatige opzegging. [appellant] vorderde diverse vergoedingen, waaronder een aanvullende beëindigingsvergoeding, bonusbetalingen, vakantiedagen en compensatie voor fiscale gevolgen van een long term incentive plan. De kantonrechter wees deze vorderingen af en veroordeelde [appellant] in de proceskosten.
In hoger beroep oordeelt het hof dat onkostenvergoedingen, pensioenbijdragen en bonusbetalingen niet meetellen bij de gefixeerde schadevergoeding. Het hof bevestigt dat Draka gerechtigd was het Short Term Incentive Plan te beëindigen na de overname door Prysmian. Wel wordt Draka veroordeeld tot betaling van openstaande vakantiedagen en een fiscale compensatie van €30.000 bruto vanwege niet-gecompenseerde belastingheffing in Frankrijk.
De vordering op grond van artikel 5.1 van de arbeidsovereenkomst en het betoog van kennelijk onredelijke opzegging worden afgewezen. Het hof oordeelt dat de opzegging niet kennelijk onredelijk was en dat de door Draka opgegeven redenen niet voorgewend zijn. Het vonnis van de kantonrechter wordt gedeeltelijk vernietigd en voor het overige bekrachtigd. [appellant] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.