ECLI:NL:GHAMS:2016:1952

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 mei 2016
Publicatiedatum
23 mei 2016
Zaaknummer
15/871305-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 87 SvArt. 406 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing voorlopige hechtenis na eerdere beslissing

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen de afwijzing van zijn verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis door de rechtbank Alkmaar. De verdachte had reeds op 20 januari 2016 hoger beroep ingesteld tegen een eerdere afwijzing van een soortgelijk verzoek.

Het hof overwoog dat artikel 87, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een verdachte slechts eenmaal in hoger beroep kan komen tegen een afwijzing van een verzoek tot schorsing of opheffing van voorlopige hechtenis. Hoewel artikel 406, tweede lid Sv in bepaalde gevallen een uitzondering maakt wanneer het onderzoek ter terechtzitting al is aangevangen maar nog niet geëindigd, was het niet de bedoeling van de wetgever om nieuwe beroepsmogelijkheden te creëren.

Daarom oordeelde het hof dat de beperkingen van artikel 87, tweede lid Sv ook gelden indien het onderzoek ter terechtzitting al is begonnen. Gezien de eerdere beslissing op 20 januari 2016 verklaarde het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het huidige hoger beroep. De beschikking werd op 4 mei 2016 in raadkamer gegeven.

Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van voorlopige hechtenis.

Uitspraak

15/871305-15
GERECHTSHOF AMSTERDAM,
MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER
BESCHIKKINGin raadkamer op het hoger beroep in de zaak van
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
wonende te [adres] ,
thans verblijvende in het Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim,
tegen de beslissing van de rechtbank te Noord-Holland, locatie Alkmaar van 12 april 2016, voor zover houdende afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

De feiten en de rechtsgang

Het hof heeft kennis genomen van de akte van de griffier van de rechtbank te Noord-Holland, locatie Alkmaar van 13 april 2016, waarbij namens de verdachte hoger beroep is ingesteld van voormelde beslissing van die rechtbank.
Het hof heeft gezien de beslissing waarvan beroep en heeft kennis genomen van de stukken betrekking hebbend op de voorlopige hechtenis van de verdachte en heeft gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte mr. [naam].

De beoordeling

Op grond van het bepaalde in artikel 87, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de verdachte die aan de rechtbank schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis heeft verzocht, slechts eenmaal van een afwijzende beslissing op dat verzoek in hoger beroep komen.
In het geval het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg al is aangevangen, maar nog niet is geëindigd, heeft de wetgever met artikel 406, tweede lid Sv – met doorbreking van het zogenaamde concentratiebeginsel – ook in een beperkt aantal gevallen hoger beroep open willen stellen tegen beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis.
In de Nota naar aanleiding van het nader verslag bij de wet van 22 april 1998, Stb. 1998, 250 (waarbij het tweede lid van artikel 406 Sv Pro is toegevoegd) komt nadrukkelijk de vraag aan de orde of invoering van artikel 406, tweede lid Sv mogelijk maakt dat degene wiens verzoek reeds voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is afgewezen, andermaal een beroepsmogelijkheid krijgt als die afwijzing plaats vindt nadat het onderzoek is geopend.
Uit het antwoord op deze vraag blijkt dat het juist niet de bedoeling is geweest met de regeling nieuwe beroepsmogelijkheden te creëren (Kamerstukken II 1996/1997, 24 149, nr. 12, p. 9).
Anders dan de raadsman is het hof dan ook van oordeel dat de beperkingen in artikel 87, tweede lid Sv mede gelden ingeval het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg al is aangevangen, maar nog niet is geëindigd.
Nu het hof reeds op 20 januari 2016 heeft beslist op een namens de verdachte ingesteld hoger beroep tegen een afwijzing door de rechtbank van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis, is de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 87, tweede lid Sv, niet-ontvankelijk in zijn beroep.
15/871305-15

De beslissing

Het hof:
VERKLAART de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep tegen de bestreden beslissing, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven op 4 mei 2016 in raadkamer van dit hof door
mr. M.J.G.B. Heutink, voorzitter,
mrs. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K.D.M. de Lange als griffier.
[....]
[....]
[....]