ECLI:NL:GHAMS:2016:1225
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake toelating wettelijke schuldsanering wegens onvoldoende toelichting schulden en overbesteding
In deze zaak is het hoger beroep behandeld tegen een vonnis dat de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) weigerde. Appellanten hebben onvoldoende inzicht gegeven in de ontstaansdata en aard van hun schulden, ondanks meerdere verzoeken en een tussenarrest waarin zij werden opgedragen dit nader toe te lichten.
Het hof constateert dat de overgelegde stukken en toelichtingen niet voldoende zijn om te beoordelen of de schulden, voor zover jonger dan vijf jaar, te goeder trouw zijn ontstaan. Ook is niet overtuigend aangetoond dat sprake is van een stabiele financiële situatie of dat overbesteding is uitgesloten. De beschermingsbewindvoerder is weliswaar positief, maar de veranderingen zijn nog van korte duur en onvoldoende onderbouwd.
Het hof oordeelt dat niet is voldaan aan de essentiële voorwaarden van artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet Pro en dat het beroep op artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro onvoldoende is onderbouwd. Daarom wordt het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en wordt het verzoek tot toelating tot de WSNP afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende bewijs van te goeder trouw ontstaan van schulden.