ECLI:NL:GHAMS:2015:5714
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw ontstane CJIB-schuld
Appellant [X] verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling nadat de rechtbank dit verzoek had afgewezen. Hij voerde aan dat de schulden, waaronder boetes van het CJIB en een schuld aan de woningbouwvereniging, niet onrechtmatig waren ontstaan en dat hij zijn verplichtingen nakomt.
Het hof oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt te goeder trouw te zijn geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van de CJIB-schuld, die substantieel is. Hij had onvoldoende onderbouwd wanneer en hoeveel hij had afgelost, ondanks een gestelde betalingsregeling.
Daarnaast bood appellant onvoldoende inzicht in zijn persoonlijke en medische situatie, re-integratie-inspanningen en sociaal vangnet. De omstandigheden waren onvoldoende om toepassing van de hardheidsclausule op grond van artikel 288, derde lid, Faillissementswet te rechtvaardigen.
Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek tot schuldsanering afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het verzoek tot schuldsaneringsregeling af wegens niet te goeder trouw ontstane CJIB-schuld.