Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
The Catsen heeft (onder meer) in die hoedanigheid muziek gecomponeerd en teksten geschreven, waarop hij de auteursrechten bezat en bezit. [appellant] had, voor de uitgaverechten, een contractuele band met een uitgever, Anagon Music Publishers N.V., de rechtsvoorgangster van EMI (hierna: Anagon). Het verspreiden van de muziekwerken in het buitenland geschiedde via EMI (die daartoe subuitgevers in de betreffende landen inschakelde aan wie sublicenties werden verstrekt).
The Catsen Anagon samen het muziekuitgavefonds Sunshower Music (hierna: Sunshower Music) opgericht. Bij overeenkomst van 10 oktober 1969 zijn [appellant] en Sunshower het volgende overeengekomen:
One way wind(hierna ook: het werk).
terwijl de auteurs door ondertekening van deze overeenkomst toestemming verlenen bij verkoop naar het buitenland 50 pct. van het totaal van ieder der genoemde rechten ter beschikking te stellen van beide uitgevers tezamen)enigszins overlapt met art. 7 (
Bij eventuele overdracht door de uitgevers van het auteursrecht van genoemd(e) werk(en) naar het buitenland, zullen de auteurs 50 pct. van de netto opbrengst ontvangen)maakt dat niet anders en strijdt ook niet met de uitleg van [appellant]. Die passage in art. 11 verbijzondert Pro immers aan wie de 50% die niet naar de auteurs gaat toekomt en vormt in zoverre een zinvolle aanvulling. Dat in art.7 sprake Pro is van “netto”-opbrengst biedt, anders dan EMI stelt, geen steun aan haar uitleg. De meest voor de hand liggende uitleg is immers, dat hier gedacht is aan aftrek van commissie, belasting of kosten, doch niet van een, in de overeenkomst niet nader uitgewerkte, zeer aanzienlijke afdracht ten gunste van, met name, de (buitenlandse) subuitgever.
Cats) en werken betrokken waren. Dat de uitgave-overeenkomst een standaardtekst kende doet daaraan niet af, nu [appellant] die tekst redelijkerwijs kon begrijpen zoals hij heeft gedaan en wijziging of aanvulling dus niet nodig was.
4.Beslissing
uiterlijk vier weken na heden schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van februari 2016 tot juni 2016 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een datum te bepalen;