ECLI:NL:GHAMS:2015:5293
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep wegens ontbreken grieven
In deze strafzaak was verdachte in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 mei 2014, waarin hij was veroordeeld voor inbraak, poging tot inbraak en vernieling, en vrijgesproken van bedreiging. Tijdens de behandeling in hoger beroep op 3 november 2015 heeft het hof vastgesteld dat door of namens verdachte geen schriftelijke grieven zijn ingediend en mondeling ook geen bezwaren tegen het vonnis zijn opgegeven.
De advocaat-generaal had verzocht om niet-ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep. Gelet op artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat vereist dat een appellant grieven moet indienen om ontvankelijk te zijn, heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, bestaande uit drie rechters, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 november 2015. De zaak bevatte ook een complexiteit omtrent de samenloop met een andere strafzaak waarin een ISD-maatregel was opgelegd, maar deze speelde geen rol in de beslissing over de ontvankelijkheid.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven.