Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.Beoordeling
grief 2, die inhoudt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] de woning heeft onderverhuurd.
grief 3zich richt, overweegt het hof als volgt. Alhoewel voldoende aannemelijk is dat [appellant] het gehuurde aan derden ter beschikking heeft gesteld is naar oordeel van het hof, gezien de enkele verklaring van de Letse personen van 5 januari 2015 en de betwisting daarvan door [appellant] , voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat het gehuurde is onderverhuurd voor een bedrag van € 1.000,- per maand. Reeds hierom komt de onderhavige vordering van Stadgenoot niet voor toewijzing in aanmerking. Het bestreden vonnis zal daarom in zoverre worden vernietigd.
grief 4betoogt [appellant] dat inmiddels alle huurpenningen (vóór de dagvaarding in eerste aanleg) zijn voldaan. Dat moge zo zijn, maar ter zitting is het hof gebleken dat [appellant] sinds juni 2015 de huur onbetaald heeft gelaten. Reeds hierom faalt deze grief.