Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grief 1komen [appellanten] op tegen de overweging van de kantonrechter dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat [appellanten] in elk geval gedurende 2014 en ook in 2013 een groot deel van het jaar in Turkije en niet in de woning hebben verbleven en dat dit voorlopig het vermoeden rechtvaardigt dat zij hun hoofdverblijf niet in de woning hebben.
grief 2, die daarop betrekking heeft, geen verdere bespreking. De grief kan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.
grief 3. Zij menen dat de genoemde omstandigheden wel degelijk aan ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in de weg staan. Zij hebben gesteld dat de gezondheidstoestand van de heer [appellant sub 1] bovendien sinds de ontruiming op 12 maart 2015 ernstig is verslechterd (twee zware operaties, thans nog voortdurende bestralingen en gewichtsverlies van twaalf kilo in een periode van een half jaar). Hij verblijft noodgedwongen bij het gezin van zijn hoogzwangere dochter met kleine kinderen, in een ziekenhuisbed in de toch al kleine woonkamer, en zijn AOW-uitkering wordt niet meer uitbetaald omdat hij nergens kan worden ingeschreven. [appellanten] hebben behoefte aan een eigen woning waar zij zich kunnen inschrijven en terugtrekken. Dan kan mevrouw [appellante sub 2] uit Turkije terugkomen en voor de heer [appellant sub 1] zorgen, aldus [appellanten]