ECLI:NL:GHAMS:2015:4361
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van antidumpingrechten op stalen bevestigingsmiddelen verzonden uit Maleisië
Belanghebbende, handelaar in stalen bevestigingsmiddelen, betwistte de door de inspecteur opgelegde uitnodiging tot betaling (UTB) van antidumpingrechten op goederen verzonden uit Maleisië. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Hof bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De kern van het geschil betreft de geldigheid van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 723/2011, die het antidumpingrecht uitbreidt tot goederen verzonden uit Maleisië, ongeacht hun oorsprong. Belanghebbende stelde dat de goederen daadwerkelijk van Maleisische oorsprong zijn en dat de uitbreiding van het antidumpingrecht onterecht is, en verzocht om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU. Het Hof oordeelt dat de nationale rechter de geldigheid van EU-handelingen kan toetsen, maar niet ongeldig kan verklaren; dat bevoegdheid ligt exclusief bij het Hof van Justitie.
Het Hof concludeert dat de Commissie terecht onderzoek heeft gedaan naar ontwijking van antidumpingrechten en dat de uitbreiding van het antidumpingrecht niet beperkt is tot goederen van Chinese oorsprong. De weigering van vrijstelling aan de leveranciers van belanghebbende is gegrond. Ook de stelling dat er geen schade is vastgesteld, faalt omdat de Commissie de ondermijning van de corrigerende werking van het recht heeft bewezen. Verder is geen sprake van schending van verdedigingsrechten of het vertrouwensbeginsel. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.