Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
Klagers hebben klachten ingediend tegen drie notarissen over de afwikkeling van de nalatenschap van [X], met name over het testament van 20 mei 1999, de informatieverstrekking door de boedelnotaris, en de verkoop van de woning van [X]. De klachten betroffen onder meer het niet verstrekken van informatie, mogelijke onzorgvuldigheid bij het passeren van het testament en het niet toepassen van beschermingsmaatregelen.
De kamer verklaarde een deel van de klacht tegen notaris sub 1 gegrond zonder maatregel en de overige klachten ongegrond. Het hof vernietigt deze beslissing, verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun klacht tegen notaris sub 3 wegens diens overlijden, en legt een waarschuwing op aan notaris sub 1 voor het niet voldoen aan zijn wettelijke verplichtingen omtrent informatieverstrekking.
De klacht tegen notaris sub 2 over het passeren van het testament wordt ongegrond verklaard, mede omdat onvoldoende is komen vast te staan dat [X] niet wilsbekwaam was ten tijde van het testament. De klacht over onzorgvuldigheid bij de woningverkoop in 2009 wordt eveneens ongegrond verklaard, omdat de betrokken notarissen niet verantwoordelijk konden worden gehouden.
Het hof oordeelt dat notaris sub 1 tekort is geschoten in zijn informatieplicht jegens klagers, hetgeen een maatregel rechtvaardigt. Andere klachten worden afgewezen. De beslissing van de kamer wordt vernietigd en het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor het onderdeel tegen notaris sub 1.
Uitkomst: Het hof legt een waarschuwing op aan notaris sub 1 wegens onvoldoende informatieverstrekking en verklaart overige klachten ongegrond of niet-ontvankelijk.