ECLI:NL:GHAMS:2015:3234

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 augustus 2015
Publicatiedatum
7 augustus 2015
Zaaknummer
200.158.426/01 OK
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:350 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling vergoeding onderzoeker in enquêteprocedure tegen HRC Holding B.V.

De Ondernemingskamer heeft in een enquêteprocedure tegen HRC Holding B.V. een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken binnen de vennootschap. De kosten van het onderzoek werden vastgesteld op €23.500 exclusief btw en mr. E. Hammerstein werd aangewezen als onderzoeker.

De onderzoeker heeft op 23 juli 2015 het onderzoeksverslag ingediend en een urenspecificatie met declaraties overgelegd, waaruit blijkt dat een bedrag van €19.056,07 in rekening is gebracht. De Ondernemingskamer heeft dit verslag ter inzage gelegd en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vergoeding, maar er zijn geen bezwaren ontvangen.

De vergoeding overschrijdt het vastgestelde budget niet en wordt niet onredelijk geacht. Daarom heeft de Ondernemingskamer de vergoeding van de onderzoeker conform artikel 2:350 lid 3 BW Pro vastgesteld op €19.056,07 exclusief btw en verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vergoeding van de onderzoeker wordt vastgesteld op €19.056,07 exclusief btw.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.158.426/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 6 augustus 2015
inzake
[A],
wonende te [....] ,
VERZOEKER,
advocaat:
mr. E.F. Renes, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
H.R.C. HOLDING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER,
advocaat: voorheen mr. J. van Embden, kantoorhoudende te Amstelveen, thans
zonder advocaat.

1.Het verloop van het geding

1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 25 november 2014, 3 december 2014 ,25 maart 2015 en 24 juli 2015 in deze zaak.
1.2
Bij de beschikkingen van 25 november 2014, 3 december 2014 en 25 maart 2015 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van HRC Holding B.V. bevolen, het bedrag dat het onderzoek mag kosten – na een kostenverhoging – vastgesteld op € 23.500 (exclusief btw) en mr. E. Hammerstein aangewezen als onderzoeker.
1.3
Bij brief van 23 juli 2015 heeft de onderzoeker het verslag van het in 1.2 bedoelde onderzoek aan de Ondernemingskamer doen toekomen. Voorts heeft de onderzoeker bij e-mail van 24 juli 2013 een urenspecificatie van alle in deze zaak verrichtte werkzaamheden met betrekking tot het onderzoek en de declaraties overgelegd. In totaal is een bedrag van € 19.056,07 in rekening gebracht.
1.4
Bij de beschikking van 24 juli 2015 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het verslag van de onderzoeker ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden. Voorts heeft de Ondernemingskamer in die beschikking partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vergoeding van de onderzoeker.
1.5
Van (de advocaten van) partijen is daarop niet vernomen.

2.De gronden van de beslissing

De in rekening gebrachte vergoeding overschrijdt het vastgestelde budget niet. Er zijn voorts geen bezwaren aangevoerd. De vergoeding komt de Ondernemingskamer ook niet onredelijk voor. De Ondernemingskamer zal daarom de vergoeding van de onderzoeker - overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 BW Pro - bepalen als hierna te vermelden.

3.De beslissing

De Ondernemingskamer:
bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 19.056,07, de verschuldigde omzetbelasting daaronder niet begrepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. A.C. Faber en mr. M.M.M. Tillema raadsheren, en E.R. Bunt en H. de Munnik, raden, in tegenwoordigheid van mr. H.H.J. Zevenhuijzen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 6 augustus 2015.