ECLI:NL:GHAMS:2015:3038

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2015
Publicatiedatum
23 juli 2015
Zaaknummer
200.163.940-01 GDW
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 GerechtsdeurwaarderswetArt. 120 Grondwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen afwijzing klacht gerechtsdeurwaarder

Klager diende een beroepschrift in tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders die zijn klacht tegen een gerechtsdeurwaarder als kennelijk ongegrond had afgewezen. De kamer had het verzet van klager tegen deze afwijzing eveneens ongegrond verklaard. Klager voerde onder meer aan dat artikel 39 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) strijdig zou zijn met de Grondwet en het EVRM.

Het hof oordeelde dat artikel 39 lid 4 Gdw Pro een rechtsmiddelenverbod bevat tegen de beslissing van de kamer over het verzet tegen afwijzing van klachten die kennelijk ongegrond zijn. Er is geen sprake van schending van fundamentele procesbeginselen of andere gronden die een doorbreking van dit verbod rechtvaardigen. Daarnaast is het de tuchtrechter niet toegestaan om de Gdw aan de Grondwet te toetsen en klager had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het EVRM zou worden geschonden.

Daarom verklaarde het hof klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De uitspraak werd gedaan door de kamer civiel recht en belastingrecht van het Gerechtshof Amsterdam op 21 juli 2015.

Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van zijn klacht tegen de gerechtsdeurwaarder.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.163.940/01 GDW
nummer eerste aanleg : 651.2014
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 21 juli 2015
inzake
[klager] ,
wonend te [woonplaats] ,
appellant,
tegen
[gerechtsdeurwaarder] ,
gerechtsdeurwaarder te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. [X] .

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Appellant (hierna: klager) heeft op 30 januari 2015 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 19 december 2014 (ECLI:NL:TGDKG:2014:229), aan partijen verzonden op 2 januari 2015.
1.2.
De kamer heeft in de bestreden beslissing het verzet van klager tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer van 6 mei 2014, waarbij de (plaatsvervangend-)voorzitter de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de gerechtsdeurwaarder) als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, ongegrond verklaard.
1.3.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 5 maart 2015 een verweerschrift bij het hof ingediend.
1.4.
De zaak is, voor wat betreft de ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep, behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 25 juni 2015. Klager is verschenen en heeft het woord gevoerd.

2.Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3.Ontvankelijkheid van klager in zijn hoger beroep

3.1.
Vooropgesteld wordt dat uit artikel 39 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) – kort weergegeven voor zover hier van belang – volgt dat de (plaatsvervangend) voorzitter klachten die naar zijn oordeel kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond dan wel van onvoldoende gewicht zijn, kan afwijzen. Tegen een dergelijke beschikking kan verzet worden gedaan bij de kamer. Tegen de beslissing van de kamer dat het verzet ongegrond is, staat geen rechtsmiddel open. Dit laatste is ook vermeld onder de beslissing waarvan beroep.
3.2.
Nu niet is gebleken van schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde dan wel van andere gronden die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen, is er geen reden om van het in artikel 39 lid 4 Gdw Pro opgenomen rechtsmiddelenverbod af te wijken.
Hetgeen klager in zijn beroepschrift en ter zitting heeft betoogd – kort gezegd strijdigheid van artikel 39 Gdw Pro met de Grondwet en/of het EVRM – geeft geen aanleiding anders te oordelen.
Het is de (tucht-)rechter ingevolge artikel 120 Grondwet Pro niet toegestaan de bepalingen van de Gerechtsdeurwaarderswet aan de Grondwet te toetsen en nu klager niet aannemelijk heeft gemaakt op welke gronden artikel 39 Gdw Pro in strijd zou zijn met het EVRM, gaat het hof reeds om die reden aan de stellingen van klager voorbij.
3.3.
Gelet op het hiervoor overwogene, kan klager niet in zijn hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 19 december 2014 worden ontvangen.

4.Beslissing

Het hof verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2015 door de rolraadsheer.