ECLI:NL:GHAMS:2015:3038
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen afwijzing klacht gerechtsdeurwaarder
Klager diende een beroepschrift in tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders die zijn klacht tegen een gerechtsdeurwaarder als kennelijk ongegrond had afgewezen. De kamer had het verzet van klager tegen deze afwijzing eveneens ongegrond verklaard. Klager voerde onder meer aan dat artikel 39 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) strijdig zou zijn met de Grondwet en het EVRM.
Het hof oordeelde dat artikel 39 lid 4 Gdw Pro een rechtsmiddelenverbod bevat tegen de beslissing van de kamer over het verzet tegen afwijzing van klachten die kennelijk ongegrond zijn. Er is geen sprake van schending van fundamentele procesbeginselen of andere gronden die een doorbreking van dit verbod rechtvaardigen. Daarnaast is het de tuchtrechter niet toegestaan om de Gdw aan de Grondwet te toetsen en klager had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het EVRM zou worden geschonden.
Daarom verklaarde het hof klager niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De uitspraak werd gedaan door de kamer civiel recht en belastingrecht van het Gerechtshof Amsterdam op 21 juli 2015.
Uitkomst: Klager is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van zijn klacht tegen de gerechtsdeurwaarder.