Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Hof:lees: aftrekmogelijkheid) te verbinden. Zie bijvoorbeeld de volgende passage uit de wetsgeschiedenis:
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2009 vanwege aftrek van kosten levensonderhoud voor zijn kinderen. De inspecteur beperkte de aftrek omdat twee kinderen het gehele jaar een prestatiebeurs ontvingen en een derde tot 31 augustus 2009.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Hof bevestigt dit oordeel. De wettelijke regeling in artikel 6.14 lid 1 sub c Wet IB 2001 sluit aftrek uit voor kinderen met recht op een prestatiebeurs. De bijzondere situatie van dyslectische kinderen rechtvaardigt geen afwijking.
Het Hof wijst erop dat de rechter niet mag toetsen aan de billijkheid van de wet, en dat de morele plicht van belanghebbende geen grond is voor aftrek. De forfaitaire aftrek wordt slechts toegekend voor het kwartaal waarin geen prestatiebeurs werd ontvangen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beperking van de aftrek kosten levensonderhoud bevestigd.