Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de vrouwis het volgende gebleken.
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1995 gehuwd en in 2012 gescheiden. Uit het huwelijk zijn vier kinderen geboren, waarvan de hoofdverblijfplaatsen zijn verdeeld tussen de ouders. De man werd bij beschikking verplicht een bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van twee van de kinderen. De vrouw kwam in hoger beroep tegen een latere beschikking waarin de bijdrage van de man werd verlaagd.
Het hof beoordeelde de draagkracht van partijen, waarbij het vooral ging om de draagkracht van de man. Hierbij werd rekening gehouden met zijn privé onttrekkingen aan de onderneming, de fiscale situatie en het kindgebonden budget. Het hof volgde de rechtbank in de uitgangspunten en corrigeerde de draagkrachtberekening op basis van nadere feiten en stukken.
De behoefte van de kinderen werd vastgesteld conform de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen, waarbij het kindgebonden budget in mindering werd gebracht. Het hof bepaalde het aandeel van de man in de kosten van de kinderen op basis van een draagkrachtvergelijking, waarbij ook rekening werd gehouden met de zorgkorting.
Uiteindelijk stelde het hof de bijdrage van de man vast op €130 per kind per maand vanaf 1 augustus 2013, €136 vanaf 1 januari 2014 en €145 vanaf 1 januari 2015. Tevens werd bepaald dat voor zover de man meer had betaald in de periode, dat bedrag bepalend was. De beschikking werd vernietigd en opnieuw vastgesteld.
Uitkomst: Het hof stelt de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van twee kinderen vast op respectievelijk €130, €136 en €145 per maand vanaf 1 augustus 2013 tot 2015.