Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen zuiveringsheffing voor haar recreatiewoning over 2011 en 2012, waarbij de heffingsgrondslag was vastgesteld op drie vervuilingseenheden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat op basis van de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie sprake was van een meerpersoonshuishouden op het hoofdadres, wat het vermoeden rechtvaardigt dat ook de recreatiewoning door meerdere personen wordt gebruikt.
In hoger beroep voerde belanghebbende aan dat alleen zij de recreatiewoning gebruikte, ondersteund door een verklaring van haar zoon dat hij zelden aanwezig was. Het Hof oordeelde dat dit onvoldoende is om het vermoeden van een gezamenlijke huishouding te weerleggen. De heffingsambtenaar stelde terecht dat de inschrijving van de zoon op het hoofdadres relevant is, terwijl de inschrijving van een derde persoon zonder band met belanghebbende buiten beschouwing kon blijven.
Het Hof bevestigde dat de recreatiewoning niet op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein ligt, waardoor de forfaitaire bepaling van drie vervuilingseenheden van toepassing is. De enkele verklaring van de zoon was onvoldoende om het vermoeden te ontkrachten dat de recreatiewoning door meerdere personen wordt gebruikt. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.