ECLI:NL:GHAMS:2015:1567

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 april 2015
Publicatiedatum
28 april 2015
Zaaknummer
200.111568/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen NPO inzake onrechtmatige publicatie programmagegevens

In deze civiele procedure in hoger beroep ging het om de vraag of de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (NPO) terecht vorderingen had ingesteld tegen TMG Landelijke Media B.V. (De Telegraaf) wegens vermeende onrechtmatige publicatie van programmagegevens. Het hof verwees naar een eerder tussenarrest waarin was geoordeeld dat vorderingen op auteursrechtelijke grondslag niet toewijsbaar waren.

Na het tussenarrest dienden partijen aanvullende stukken in. Vervolgens wees de rechtbank Amsterdam in een bodemprocedure een eindvonnis waarin de vorderingen van NPO, ook voor zover gebaseerd op onrechtmatige daad en contractuele wanprestatie, werden afgewezen. Het hof benadrukte dat een kort geding een voorlopige voorziening betreft die in beginsel moet aansluiten bij de bodemuitspraak.

NPO voerde nog een beroep op ongerechtvaardigde verrijking, maar het hof oordeelde dit beroep te laat en ging er niet op in. De vorderingen van NPO werden derhalve alsnog geheel afgewezen. NPO werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties, waarbij een gedetailleerde kostenverdeling werd vastgesteld. Het arrest werd op 28 april 2015 uitgesproken door het hof Amsterdam.

Uitkomst: De vorderingen van NPO worden geheel afgewezen en NPO wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer gerechtshof: 200.111.568/01 KG
zaak-/rolnummer rechtbank: 518640 / KG ZA 12-774
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2015
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TMG LANDELIJKE MEDIA B.V., voorheen genaamd
TELEGRAAF MEDIA NEDERLAND LANDELIJKE MEDIA B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,
advocaat:
mr. J.P. van den Brinkte Amsterdam,
tegen:
de stichting
STICHTING NEDERLANDSE PUBLIEKE OMROEP,
gevestigd te Hilversum,
geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,
advocaat:
mr. S.J. Cammelbeeckte Rotterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Appellante wordt hierna aangeduid als De Telegraaf, geïntimeerde als NPO.
Het hof heeft in deze zaak op 20 mei 2014 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot genoemde datum wordt naar dat tussenarrest verwezen.
Partijen hebben ieder een akte na tussenarrest, met producties, ingediend.
Vervolgens is wederom arrest gevraagd.

2.Verdere beoordeling

2.1.
In genoemd tussenarrest is geoordeeld dat voor zover deze op auteursrechtelijke grondslag (“vol” auteursrecht respectievelijk geschriftenbescherming) zijn gebaseerd de door NPO gevorderde voorzieningen niet voor toewijzing in aanmerking komen. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten omtrent de consequenties hiervan voor de onderhavige zaak wat betreft nog niet besproken andere grondslagen van de vorderingen van NPO, dit zijnde, kort gezegd, onrechtmatige daad en nakoming van contractuele verplichtingen (door NPO aangeduid als wanprestatie).
2.2.
Inmiddels heeft de rechtbank eindvonnis gewezen in de door NPO jegens (onder meer) De Telegraaf aanhangig gemaakte bodemprocedure. In dat vonnis (Rechtbank Amsterdam 4 juni 2014 ECLI:NL:RBAMS:2014:3140) zijn de vorderingen van NPO die inzet waren van het onderhavige kort geding niet toewijsbaar geoordeeld, ook voor zover die gebaseerd zijn op een (beweerdelijk) door De Telegraaf gepleegde onrechtmatige daad en/of de door NPO aangevoerde contractuele grondslag.
2.3.
De Telegraaf heeft er terecht op gewezen dat een voorziening in kort geding een voorlopig karakter heeft en dat, indien de bodemrechter over het geschil van partijen heeft geoordeeld, de kort gedingrechter zijn beslissing in beginsel op dat oordeel moet afstemmen. Van omstandigheden die een uitzondering op voormeld beginsel rechtvaardigen is niet gebleken, deze zijn in de akte die NPO ruim een maand na de uitspraak van genoemd eindvonnis heeft ingediend ook niet aangevoerd.
Wel heeft NPO in bedoelde akte als nadere grondslag van haar vorderingen ongerechtvaardigde verrijking aangevoerd, doch het hof acht het beroep op deze nadere grondslag in dit stadium van het geding tardief en zal daaraan mitsdien voorbij gaan.
2.4.
Dit leidt tot de slotsom dat de door De Telegraaf tegen het vonnis van de voorzieningenrechter aangevoerde grieven in zoverre doel treffen dat de door NPO gevorderde voorzieningen alsnog (geheel) dienen te worden afgewezen. Voor zover deze in het tussenarrest en in het voorgaande niet zijn besproken, bestaat bij het thans alsnog bespreken van bedoelde grieven onvoldoende belang. De grieven van NPO leiden niet tot een voor haar gunstigere uitkomst van het geding en falen mitsdien. NPO zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.
De salariskosten van het geding in eerste aanleg en van het hoger beroep tot aan het tussenarrest worden - gelet op het in deze instanties gevoerde debat - voor twee derde deel toegerekend aan de door NPO aangevoerde IE-grondslagen en zullen worden begroot op basis van de werkelijke kosten zoals door De Telegraaf opgegeven (en door NPO niet bestreden) en voor een derde deel aan de overige grondslagen. De gedingkosten met betrekking tot dit derde deel alsmede de kosten van de door De Telegraaf naar aanleiding van het tussenarrest genomen akte zullen worden begroot op basis van het liquidatietarief. Dit betekent dat voor salaris wordt toegewezen (2/3 x € 50.692,- plus 1/3 x € 816 is) € 34.066,67 in eerste aanleg en (2/3 x 119.473,50 plus 1/3 x € 2.682,- plus € 447,- is) € 80.990,- in hoger beroep.

3.Beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
wijst de vorderingen van NPO alsnog geheel af;
veroordeelt NPO in de kosten van het geding in beide instanties, voor zover aan de zijde van De Telegraaf gevallen begroot op € 575,- aan verschotten en op € 34.066,67 voor salaris in eerste aanleg en tot op heden op € 742,17 aan verschotten en op € 80.990,- voor salaris in hoger beroep;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, mr. E.M. Polak en mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 april 2015.