Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
.
2.De stukken van het geding
3.De feiten
Op de ledenraadsvergadering van 14 februari 2013 is de notitie van het bestuur besproken met de titel: “Gerechtsdeurwaarders, gereguleerde vestiging en nevenkantoren.”
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een incassokantoor dat een gerechtsdeurwaarder in een andere plaats dan zijn vestigingsplaats exploiteert, onder het begrip 'nevenkantoor' valt zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw). De Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) had een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder omdat hij zonder toestemming van de Minister van Justitie en Veiligheid een incassokantoor in een andere plaats had geopend.
De kamer voor gerechtsdeurwaarders had de klacht gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarder een berisping opgelegd. Het hof in hoger beroep heeft deze beslissing vernietigd. Het hof oordeelde dat het houden van een incassokantoor niet valt onder het toestemmingsvereiste van artikel 16 lid 2 Gdw Pro, dat uitsluitend betrekking heeft op ambtelijke nevenkantoren. Daarmee is het incassokantoor niet aan dat artikel onderworpen.
Het hof wees tevens het standpunt van de gerechtsdeurwaarder af dat de klacht niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard vanwege vermeend misbruik van het klachtrecht door de KBvG. Wel verklaarde het hof een latere uitbreiding van de klacht met het verwarringscriterium niet-ontvankelijk omdat dit in hoger beroep niet voor het eerst aan de orde kan worden gesteld.
De gerechtsdeurwaarder blijft verantwoordelijk voor het incassokantoor dat tijdens zijn voorzitterschap van het kantoor werd opgericht. Het hof vernietigde de eerdere berisping en verklaarde de klacht van de KBvG ongegrond, waarmee de gerechtsdeurwaarder in het ongelijk werd gesteld.
Uitkomst: De klacht van de KBvG wordt ongegrond verklaard en de berisping tegen de gerechtsdeurwaarder wordt vernietigd.