ECLI:NL:GHAMS:2015:1202
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- R.J.F. Thiessen
- H.T. van der Meer
- L.A.J. Dun
- Rechtspraak.nl
Bank verplicht tot afgifte integriteitsverklaring na weigering aan ex-werknemer
De zaak betreft een hoger beroep van een ex-werknemer tegen een bank die weigerde een integriteitsverklaring af te geven, noodzakelijk voor een nieuwe baan bij een andere bank. De werknemer had met de bank een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij de arbeidsovereenkomst werd beëindigd. Hij stelde dat deze overeenkomst onder dwaling tot stand was gekomen omdat de bank niet had meegedeeld dat zij geen integriteitsverklaring zou afgeven.
Het hof oordeelde dat de werknemer onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de integriteitsverklaring een conditio sine qua non was voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Andere dwalingsgronden faalden eveneens. Wel stelde het hof vast dat de bank onrechtmatig had gehandeld door de integriteitsverklaring te weigeren, gezien de beperkte ernst van de integriteitskwestie en de gemaakte afspraken over geheimhouding.
De bank werd veroordeeld om toekomstige verzoeken om een integriteitsverklaring binnen tien dagen te honoreren, onder verbeurte van een dwangsom. Tevens werd een voorschot op schadevergoeding toegekend voor de periode dat de werknemer geen nieuwe baan had. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht.
Uitkomst: De bank wordt veroordeeld tot het afgeven van een integriteitsverklaring aan toekomstige werkgevers en tot betaling van een voorschot op schadevergoeding.