Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, voormalig partners met drie kinderen, zijn in hoger beroep gegaan tegen de vaststelling van kinderalimentatie. De vrouw vordert een hogere bijdrage dan door de rechtbank vastgesteld, terwijl de man incidenteel hoger beroep instelt met een lagere bijdrage.
Het hof beoordeelt de behoefte van de kinderen aan de hand van de behoeftetabellen 2014 en verwerpt de door de vrouw gestelde hogere werkelijke kosten wegens onvoldoende onderbouwing. Wel wordt de behoefte van de dochters verhoogd met de kosten van brillen, die niet in de tabellen zijn verwerkt.
De draagkracht van de man wordt vastgesteld op een netto besteedbaar inkomen van €7.421 per maand en een draagkracht van €3.148 per maand tot 1 januari 2015. De vrouw heeft een verdiencapaciteit van €1.750 bruto per maand, waarvan het hof uitgaat, ondanks dat zij het dienstverband niet heeft aanvaard.
De zorgkorting wordt vastgesteld op 15% vanwege de zorgregeling waarbij de kinderen gemiddeld één dag per week bij de man verblijven. Het fiscaal voordeel van €114 per maand voor de man komt per 1 januari 2015 te vervallen, maar dit leidt niet tot wijziging van de bijdrage.
Het hof vernietigt de bestreden beschikking en bepaalt een bijdrage van €505 per kind per maand voor de dochters en €480 voor de zoon, ingaande 1 mei 2014, en verklaart dit uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bepaalt een kinderalimentatie van €505 per maand per dochter en €480 per maand voor de zoon, ingaande 1 mei 2014.