Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
BPM
Boete
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, een onderneming die een taxibedrijf exploiteert, was kentekenhouder van een personenauto waarvoor zij een teruggaaf BPM had ontvangen op grond van de taxivrijstelling. De inspecteur legde een naheffingsaanslag BPM en een boete op wegens het niet voldoen aan het 90%-criterium voor taxivervoer, gebaseerd op een boekenonderzoek waarin geen sluitende kilometeradministratie werd aangetroffen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de naheffingsaanslag en boete. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat zij wel aan de voorwaarden had voldaan en dat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld. Het Hof volgde de rechtbank in het oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de auto voor ten minste 90% voor taxivervoer was gebruikt, mede door het ontbreken van rittenstaten en andere controleerbare bewijsstukken.
Het Hof oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd, maar dat de aanspraak op belasting over het derde jaar niet kon zijn ontstaan op het moment van oplegging, waardoor de aanslag met een derde moest worden verminderd. De boete werd eveneens verminderd met een derde vanwege dit feit. De stelling van onzorgvuldig handelen door de inspecteur werd verworpen. Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en matigde naheffingsaanslag en boete. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend aan belanghebbende.
Uitkomst: De naheffingsaanslag en boete worden vernietigd en verminderd met een derde wegens onvoldoende bewijs taxivrijstelling.