Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[APPELLANT SUB 1],
[APPELLANTE SUB 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of het rentebeding in een huurovereenkomst oneerlijk was op grond van Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het hof oordeelde dat het rentebeding, dat een vaste en aanzienlijk hogere rente dan de wettelijke en marktrente inhield, oneerlijk was en daarom buiten toepassing moest blijven.
Jahani, de verhuurder, stelde dat zij bij structurele wanbetaling geconfronteerd werd met vaste lasten en financieringstekorten, maar het hof vond haar onderbouwing onvoldoende concreet om het rentebeding te handhaven. De vordering tot contractuele rente werd afgewezen, maar de wettelijke rente werd toegewezen.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover appellant was veroordeeld tot betaling van achterstallige huur vermeerderd met contractuele rente en boete, en veroordeelde appellant tot betaling van de huurpenningen over de relevante maanden met wettelijke rente. De proceskosten van het hoger beroep werden gecompenseerd en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten werd niet toegewezen omdat daartegen geen grief was ingebracht.
Uitkomst: Het hof vernietigt het contractuele rentebeding wegens oneerlijkheid en veroordeelt appellant tot betaling van achterstallige huur met wettelijke rente.