Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, die een relatie hadden zonder samen te wonen, hebben een minderjarige gezamenlijk. De man en vrouw hebben elk een eenmanszaak met wisselende winsten in de jaren 2011 tot en met 2013. De vrouw verzoekt een hogere kinderalimentatiebijdrage van €208 per maand met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2009, terwijl de man slechts €25 per maand betaalt sinds 6 mei 2013.
Het hof beoordeelt de draagkracht van de man aan de hand van de gemiddelde winst over 2011-2013, waarbij rekening wordt gehouden met de economische crisis en het vermogen van de man. De vrouw’s inkomen wordt ook gemiddeld berekend inclusief haar WAO-uitkering. De zorgregeling waarbij het kind deels bij de man verblijft, leidt tot een zorgkorting van 25% op de behoefte.
De man’s woonlasten worden forfaitair meegenomen zonder toepassing van de aanvaardbaarheidstoets. De vrouw’s stellingen over onduidelijke kosten en vermeende hogere inkomsten worden verworpen. Kosten voor kinderopvang worden niet meegenomen wegens onvoldoende aannemelijkheid.
Uiteindelijk bepaalt het hof dat de man vanaf 6 mei 2013 een bijdrage van €52 per maand moet betalen, waarbij de beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het hoger beroep deels wordt toegewezen.
Uitkomst: De man moet vanaf 6 mei 2013 een bijdrage van €52 per maand betalen voor de verzorging en opvoeding van het kind.