In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de kinderrechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor schuldheling van een bakfiets die hij op straat had gekocht voor €50, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf was verkregen.
De verdachte had de fiets met winstintentie gekocht en had geen nadere vragen gesteld over de herkomst, ondanks dat de prijs opvallend laag was en hij slechts de bijnaam kende van de verkoper. De verdediging voerde aan dat de verdachte niet wist en niet had moeten vermoeden dat de fiets gestolen was, maar het hof achtte dit verweer onvoldoende.
Gelet op het eerdere justitiële verleden van de verdachte en zijn onwil tot medewerking aan begeleiding en taakstraffen, achtte het hof een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend. Tevens werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde werkstraf wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit binnen de proeftijd.
De straf is opgelegd op grond van artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77dd en 417bis Sr. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 10 juni 2014.