ECLI:NL:GHAMS:2014:4183

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 oktober 2014
Publicatiedatum
13 oktober 2014
Zaaknummer
23-000046-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 SvArt. 577b Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling ontnemingsmaatregel wegens medeplegen opzetheling

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd omdat het oorspronkelijke vonnis niet vermeldde op welke bewijsmiddelen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel was gebaseerd.

De veroordeelde was eerder veroordeeld voor medeplegen van opzetheling en het Openbaar Ministerie vorderde een ontnemingsmaatregel van €649.587,-. Het hof acht dit bedrag terecht geschat op basis van de bewijsmiddelen die in het dossier aanwezig zijn.

De veroordeelde voerde aan dat hij door ernstige gezondheidsproblemen en financiële omstandigheden niet in staat zou zijn om aan de betalingsverplichting te voldoen. Het hof oordeelde echter dat onvoldoende is aangetoond dat hij nu of in de toekomst niet zou kunnen betalen, mede omdat prognoses en vermogensonderzoek ontbreken.

Het hof wijst erop dat de veroordeelde via artikel 577b, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, een verzoek tot vermindering of kwijtschelding kan indienen indien nader onderzoek uitwijst dat hij geen vermogen heeft. De ontnemingsmaatregel wordt daarom vastgesteld op €649.587,- en de betalingsverplichting wordt aan de veroordeelde opgelegd.

Uitkomst: De veroordeelde wordt verplicht tot betaling van €649.587,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Parketnummer: 23-000046-12
Datum uitspraak: 10 oktober 2014
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2011 op de vordering van het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-520022-05 tegen de veroordeelde:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats]) op [geboortedag] 1959,
adres: [adres].

Procesgang

Het Openbaar Ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 649.587,00.
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2011 - kort gezegd - veroordeeld ter zake van medeplegen van opzetheling.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 23 december 2011 de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 649.587,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De veroordeelde heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2013 en 26 september 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het vonnis van de rechtbank niet vermeldt aan welke bewijsmiddelen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 649.587,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van
€ 649.587,00, heeft verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit ter zake waarvan hij bij vonnis van 23 december 2011 is veroordeeld. Het hof ontleent deze schatting aan de inhoud van de bewijsmiddelen.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Door en namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij thans en in de toekomst niet in staat is een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen, aangezien hij kampt met meerdere, ernstige gezondheidsproblemen waarvoor hij verschillende medicijnen moet slikken die vervolgens weer allerlei bijwerkingen met zich brengen. Het is voor hem aldus niet mogelijk om te werken. In de periodes dat hij niet in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering, leeft de veroordeelde van geldleningen van vrienden. Het conservatoir beslag dat op het huis rust, waarvan wordt aangenomen dat het zijn huis betreft, kan ook niet bijdragen aan de voldoening van de betalingsverplichting; het huis en de hypothecaire lening zijn van de zus van veroordeelde en er is sprake van een restschuld.
Het hof is van oordeel dat de aangevoerde (en - deels - met stukken onderbouwde) persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, te weten zijn medische en financiële situatie, niet aanstonds tot de conclusie kunnen leiden dat reeds nu al duidelijk is dat de veroordeelde niet in staat is, of in de toekomst zal zijn, aan na te melden betalingsverplichting te voldoen.
Zo blijkt uit de stukken onvoldoende wat de prognoses zijn van de verschillende medische klachten van de veroordeelde en of hij al dan niet in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Tevens is er naar het oordeel van het hof thans onvoldoende onderzoek verricht naar eventuele vermogenscomponenten van de veroordeelde. De verdediging stelt dat deze er gewoonweg niet zijn, maar een nader onderzoek door het CJIB daartoe zal dit nader kunnen onderbouwen. Voor het geval nader onderzoek uitwijst dat de veroordeelde inderdaad geen vermogen heeft, biedt artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering aan de veroordeelde een rechtsgang waarin hij om vermindering of kwijtschelding van het door het hof vast te stellen bedrag kan verzoeken. Het hof zal met de draagkracht van de veroordeelde in het kader van de onderhavige vaststelling van de betalingsverplichting dan ook geen rekening houden.
Aan de veroordeelde dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 649.587,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
649.587,00 (zeshonderdnegenenveertigduizend vijfhonderdzevenentachtig euro).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 649.587,00 (zeshonderdnegenenveertigduizend vijfhonderdzevenentachtig euro).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. G.S. Crince Le Roy en mr. A. Dantuma-Hieronymus, in tegenwoordigheid van mr. S.P.H. Brinkman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 oktober 2014.
=========================================================================
[....]
.