Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister,
de inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Alkmaar,de inspecteur.
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van een belastinggeschil over een navorderingsaanslag vermogensbelasting 1998 in het kader van het Rekeningenproject.
De procedure kende een langdurige behandeling met meerdere fasen: bezwaar, beroep bij de rechtbank en hoger beroep bij het Hof. De totale duur van de procedure bedroeg ruim negen jaar, waarbij de redelijke termijn in de eerste fase (bezwaar en beroep bij de rechtbank) met ruim 11 maanden en in de tweede fase (hoger beroep) met 15 maanden werd overschreden.
Het Hof oordeelde dat de complexiteit van de zaak en de coördinatie met andere procedures bijzondere omstandigheden vormden, waardoor langere termijnen redelijk waren. Toch was sprake van overschrijding, waarvoor een forfaitaire immateriële schadevergoeding werd toegekend van in totaal € 2.500, waarvan € 500 voor de inspecteur en € 2.000 voor de Minister van Veiligheid en Justitie.
Verzoeken om wettelijke rente en proceskostenvergoeding werden grotendeels afgewezen, behalve een beperkte vergoeding voor proceskosten van € 487, waarvan ieder de helft werd toegekend. Het Hof erkende de frustratie door de lange duur, maar wees verdere vergoeding af vanwege het immateriële karakter van de schade en het feit dat geen financieel nadeel was geleden.
Uitkomst: Het Hof kent een immateriële schadevergoeding van € 2.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de belastingprocedure.