Belanghebbende, een B.V., had voor het jaar 2000 een vervangingsreserve (HIR) gevormd in haar vennootschapsbelastingaangifte. De Inspecteur corrigeerde deze dotatie in een aanslag 2000 en legde later een navorderingsaanslag voor 2004 op, waarbij de vrijval van de HIR werd belast. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de door belanghebbende in 2008 ingediende aangifte voor 2004 een nieuw feit vormde dat navordering rechtvaardigde.
De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van een nieuw feit. Tijdens een hoorgesprek in 2005 was de Inspecteur reeds op de hoogte van het standpunt van belanghebbende dat de HIR in 2004 vrijviel. Dit betekent dat de navorderingsaanslag niet gebaseerd was op een feit dat de Inspecteur niet kende of redelijkerwijs niet kon kennen bij het opleggen van de aanslag.
Daarnaast heeft de Hoge Raad het standpunt van de Inspecteur over een mogelijke vaststellingsovereenkomst tussen partijen, waarin zij afspraken over de HIR maakten, onderkend maar het hof hier niet over laten oordelen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing.
De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding en moet het betaalde griffierecht vergoeden.