Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond centraal of appellant recht had op levering van een aangrenzend perceel dat zij van geïntimeerde, haar ex-partner, meende te hebben gekocht. De relatie tussen partijen was beëindigd en appellant woonde nog in de woning. De koop betrof volgens appellant twee percelen, maar de notariële akte vermeldde slechts één perceel.
Appellant vorderde nakoming van de koopovereenkomst door levering van het tweede perceel. De rechtbank wees deze vordering af wegens onvoldoende bewijs van de overdrachtsintentie. Het hof beoordeelde primair het verjaringsverweer van geïntimeerde en concludeerde dat de vordering tot levering op 9 mei 2001 opeisbaar was en de vijfjarige verjaringstermijn daarop was ingegaan zonder stuiting.
Het beroep op verkrijgende verjaring slaagde niet omdat appellant pas na beëindiging van de relatie als bezitter kon gelden en de termijn van tien jaar onafgebroken bezit niet was voltooid. Gezien de verjaring kon toewijzing van de vordering niet plaatsvinden. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot levering van het aangrenzende perceel is verjaard en wordt afgewezen; het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.