Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, de man en de vrouw, hebben een minderjarige gezamenlijk in hun gezag. De man is sinds februari 2013 in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank waarin zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige was vastgesteld op € 510,- per maand. Hij verzocht om verlaging van deze bijdrage, mede op grond van aflossingen op schulden en een daling van zijn inkomen door ziekte.
Het hof heeft overwogen dat de man onvoldoende heeft aangetoond dat een lening van zijn ouders bestond, waardoor geen rekening werd gehouden met aflossingen daarop. Ook werd geen rekening gehouden met aflossingen op een doorlopend krediet, omdat het hof oordeelde dat dit krediet inmiddels afgelost had kunnen zijn. De man stelde voorts dat hij kosten maakte voor spullen van de minderjarige, maar het hof oordeelde dat dit niet in mindering kon worden gebracht op de alimentatie.
Door een burn-out en reorganisatie bij zijn werkgever is het inkomen van de man gedaald. Het hof heeft het netto besteedbaar inkomen vastgesteld en de draagkracht berekend volgens de geldende richtlijnen. Ook werd rekening gehouden met een zorgkorting vanwege de zorgregeling. Daarnaast werd het loonbeslag meegenomen, waardoor de man in de periode februari tot en met juli 2014 geen draagkracht had om alimentatie te betalen.
Het hof heeft de bijdrage van de man vastgesteld op € 510,- per maand tot 1 november 2013, daarna € 192,- per maand tot 1 februari 2014, vervolgens nihil tot 1 augustus 2014 en vanaf die datum € 227,- per maand. De beschikking is in zoverre vernietigd en opnieuw vastgesteld.
Uitkomst: De kinderalimentatiebijdrage van de man is aangepast met perioden van lagere of nihil bijdrage vanwege loonbeslag en gewijzigde draagkracht.