Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
.
.
1.770,00
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende importeerde schoenen en kreeg drie uitnodigingen tot betaling (UTB’s) voor douanerechten opgelegd. Na bezwaar handhaafde de inspecteur deze UTB’s, waarna belanghebbende beroep instelde. De inspecteur kondigde later aan de UTB’s te zullen vernietigen, waarna belanghebbende haar beroep introk en proceskostenvergoeding en schadevergoeding vorderde.
De rechtbank wees de integrale proceskostenvergoeding en schadevergoeding af, kende slechts een forfaitaire vergoeding toe en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen de hoogte van de vergoeding voor de beroepsfase.
Het Hof overwoog dat voor een integrale proceskostenvergoeding vereist is dat het bestuursorgaan een standpunt handhaaft dat evident onhoudbaar is. Omdat de situatie omtrent de certificaten van oorsprong in deze zaak duidelijk was en niet vergelijkbaar met eerdere zaken waarin het verdedigingsbeginsel werd geschonden, kon de inspecteur geen verwijt worden gemaakt. De schadevergoeding werd afgewezen omdat proceskosten een exclusieve regeling kennen. Het Hof verhoogde de forfaitaire vergoeding met een bedrag voor reis- en verletkosten en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van deze kosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding wordt verhoogd, schadevergoeding wordt afgewezen.