Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Op grond van artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met de bestemming “Kantoren ([B] t/m[G])” aangewezen voor gebouwen ten dienste van kantoren met inbegrip van daarbij behorende nevenruimten, voor gebouwde parkeervoorzieningen, tuinen en erven, groenvoorzieningen, rijwegen, fiets- en voetpaden en sierwater. Op grond van het derde lid van dit artikel en de aanduiding op de plankaart is de maximale floor space index voor het perceel 1,40.
Hof: hieronder samengevatte) kosten en risico’s om te komen tot de waarde in het economische verkeer per waardepeildatum.
na ontvangst van evaluatierapport kavels [C] en [D].
de contouren sanering (2x) behoren tot kavels [C] en [D]
weldegelijk is gegraven (/gesaneerd) Ik maak op saneringstabblad regel aan mbt hele kavel [E].
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
Hof: lees 1.087) per vierkante meter bvo. Na de uitgifte van perceel [H+I] in oktober 2007 is de verkoop van bouwpercelen in [locatie Q] en van vergelijkbare percelen daarbuiten kennelijk gestagneerd. Verder heeft verweerder niet weersproken dat eiseressen al langere tijd zoeken naar huurders voor een te ontwikkelen kantoorpand op het perceel. Dit alles in aanmerking nemend, ziet de rechtbank aanleiding om de WOZ-waarden van het perceel voor 2010 en 2011 lager vast te stellen dan verweerder heeft gedaan. De rechtbank stelt de WOZ-waarden daarom - schattenderwijs - vast op € 6.750.000 voor 2010 en € 6.000.000 voor 2011.
isbebouwd en dat er geen huurder
isgevonden, is daartoe niet voldoende, omdat zulks ook het gevolg kan zijn geweest van subjectieve, specifiek belanghebbenden betreffende factoren, zoals bijvoorbeeld het door belanghebbenden gevoerde ondernemingsbeleid en/of de door belanghebbenden ondervonden financieringsbeperkingen. De waardebepaling door [taxateur 1] brengt het Hof op dit punt niet tot een ander oordeel, omdat die in wezen slechts is gebaseerd op de (in 2008, achteraf) gedane vaststelling dat voor (te realiseren bebouwing op) het perceel van belanghebbenden al sinds 2003 geen huurder was gevonden. Uit die enkele vaststelling volgt echter niet dat er objectief bezien niet (ook) voor het perceel van belanghebbenden een levensvatbare projectontwikkeling mogelijk zou zijn geweest.
5.Kosten
6.Beslissing
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank; en
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten in de incidentele hogere beroepen van belanghebbende 2 tot een bedrag van € 1.461.