Uitspraak
mr. E. Akopovate Purmerend.
Gerechtshof Amsterdam
De verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling door de rechtbank Noord-Holland. Zij stelde dat zij te goeder trouw was bij het ontstaan van haar schulden en dat haar persoonlijke omstandigheden waren gewijzigd, waaronder hulp van een psycholoog en ondersteuning door familie.
Het hof oordeelde dat de verzoekster niet aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was. Zij had een schuld aan de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van €6.763,77 niet teruggestort of gereserveerd, terwijl zij wist dat zij geen recht had op de uitkering en dat terugvordering waarschijnlijk was. Ook had zij geen bezwaar gemaakt tegen het terugvorderingsbesluit.
Verder was onvoldoende gebleken dat de persoonlijke omstandigheden en begeleiding tot voldoende stabiliteit hadden geleid. Het hof was niet overtuigd dat zij zelfstandig met haar financiën zou kunnen omgaan bij een situatie met inkomsten naast een bijstandsuitkering zonder budgetbeheer of beschermingsbewind.
Daarom werd het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof gaf de verzoekster de mogelijkheid om een nieuw verzoek in te dienen wanneer zij kan aantonen dat haar situatie stabiel is en zij adequate hulp ontvangt om terugval te voorkomen.
Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling afwijst wegens gebrek aan goede trouw.