Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[APPELLANTE SUB 1],
[APPELLANTE SUB 2],
ABN AMRO N.V.,
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond centraal of ABN Amro aansprakelijk was voor het niet uitvoeren van een verkoopopdracht van de effectenportefeuille van appellanten en de eigenmachtige verkoop van die portefeuille. Het hof heeft het tussenarrest van 22 januari 2013 gevolgd en partijen gevraagd concrete, cijfermatige onderbouwing te geven van hun standpunten.
ABN Amro stelde dat zij de opdracht niet uitvoerde vanwege de ontstane debetstand op de gezamenlijke geldrekeningen van appellanten en het ontbreken van een kredietafspraak. Appellanten betwistten dat ABN Amro bevoegd was de portefeuille als dekking te gebruiken en dat de opbrengst tot hun vrije beschikking had moeten staan. Het hof oordeelde dat ABN Amro terecht de opdracht niet volledig uitvoerde vanwege de debetstand en het ontbreken van kredietafspraken.
Verder stelde het hof vast dat appellanten geen gewijzigde opdracht hadden gegeven voor gedeeltelijke uitvoering en dat zij zelf verantwoordelijk waren voor het ontstaan en de omvang van de debetstand. De informatievoorziening door ABN Amro was voldoende en appellanten hadden zelf een duidelijk beeld kunnen vormen van hun vermogenspositie.
Ten aanzien van de eigenmachtige verkoop van de portefeuille door ABN Amro oordeelde het hof dat appellanten onvoldoende hadden toegelicht dat zij daardoor schade hadden geleden, mede omdat zij zelf verantwoordelijk waren voor de debetstand. Ook had ABN Amro een gerechtelijke procedure kunnen starten om executoriaal beslag te leggen. Het hof concludeerde dat ABN Amro niet aansprakelijk was en wees de vordering van appellanten af. De eerdere vonnissen werden vernietigd en appellanten werden veroordeeld tot betaling van kosten en een bedrag aan ABN Amro.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van appellanten af en veroordeelt hen tot betaling aan ABN Amro en in proceskosten.