ECLI:NL:GHAMS:2014:116
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over rioolheffing voor recreatiewoning met individuele aanslag
De heffingsambtenaar legde belanghebbende een aanslag rioolheffing voor 2011 op, gebaseerd op een heffingsgrondslag van 1-500 m³. Belanghebbende stelde bezwaar in en na een ongegrondverklaring door de heffingsambtenaar werd het beroep bij de rechtbank gegrond verklaard, waarbij individuele aanslagen werden bevestigd. Het hoger beroep richtte zich op de vraag of de recreatiewoning een afzonderlijk in de rioolheffing te betrekken object is.
De rechtbank oordeelde dat de recreatiewoningen van de leden van de vereniging afzonderlijke gebruiksrechten zijn, waardoor zij als gebruikers in de zin van de Verordening moeten worden aangemerkt. Het hof onderschrijft dit oordeel en stelt dat de Verordening het recht geeft om per afzonderlijk gebruiksobject rioolheffing te heffen, ongeacht dat het eigendom niet in het Kadaster is geregistreerd.
Belanghebbende voerde aan dat de Verordening onverbindend is wegens strijd met artikel 228a Gemeentewet, het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Het hof verwierp deze gronden, verwijzend naar de ruime beleidsvrijheid van gemeenten bij het bepalen van belastingplichtigen en heffingsmaatstaven. Ook het beroep op ongelijke behandeling slaagde niet, omdat vergelijkbare gevallen niet aannemelijk waren gemaakt.
Het hof concludeert dat de aanslag in overeenstemming is met de Verordening en dat de oude situatie van één aanslag aan de vereniging niet gehandhaafd hoeft te blijven. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de individuele aanslag rioolheffing aan belanghebbende bevestigd.