ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1709
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J. den Boer
- E.A.G. van der Ouderaa
- J.A. van Horzen
- Rechtspraak.nl
Geen vorming herinvesteringsreserve wegens onvoldoende aannemelijk herinvesteringsvoornemen na verkoop onroerend goed
Belanghebbende, een houdster- en beleggingsmaatschappij, verkocht in 2006 diverse onroerende zaken met een aanzienlijke boekwinst. Zij vormde een herinvesteringsreserve (HIR) op grond van een vermeend voornemen tot herinvestering binnen de wettelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat het herinvesteringsvoornemen aannemelijk was, mede gebaseerd op verklaringen van gemachtigden en makelaars, leningen aan aandeelhouders en notulen waarin een zoekopdracht voor vervangend vastgoed werd besproken.
De inspecteur maakte bezwaar tegen deze beoordeling en stelde dat het voornemen niet voldoende was onderbouwd. Het Hof onderzocht het bewijs, waaronder verklaringen van makelaars, correspondentie, facturen van een betrokken makelaarsbedrijf en andere stukken. Het Hof concludeerde dat de verklaringen en stukken onvoldoende concreet en niet overtuigend waren om het herinvesteringsvoornemen op balansdatum 31 december 2006 aan te tonen.
Het Hof wees erop dat de facturen niet duidelijk gerelateerd konden worden aan het herinvesteringsvoornemen en dat er geen concrete handelingen waren verricht die het voornemen ondersteunden. Ook de brief van een aandeelhouder en de algemene zoekopdrachten waren onvoldoende bewijs. Daarom vernietigde het Hof het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de inspecteur ongegrond, waardoor de aanslag vennootschapsbelasting bleef zoals vastgesteld door de inspecteur.
Uitkomst: Het Hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond vanwege onvoldoende aannemelijk herinvesteringsvoornemen.