ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ6102
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J. den Boer
- E.A.G. van der Ouderaa
- D. Hund
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake vermogensetikettering praktijkpand en vergrijpboete inkomstenbelasting 2001
Belanghebbende, een tandarts die een praktijkpand met woongedeelte exploiteert, was in geschil met de inspecteur over de vermogensetikettering van het woongedeelte van het pand per 1 januari 2001, de waardering daarvan en een opgelegde vergrijpboete. De inspecteur had de aanslag inkomstenbelasting 2001 vastgesteld op basis van een belastbaar inkomen uit werk en woning van €250.295 en een vergrijpboete van ruim €28.000.
Na bezwaar en beroep kwam belanghebbende terug op de eerder in de aangifte gemaakte keuze om het woongedeelte tot privévermogen te rekenen en handhaafde hij dat het woongedeelte tot het ondernemingsvermogen behoort. Het Hof stelde het belastbaar inkomen vast op €122.286 en oordeelde dat de grondslag voor de vergrijpboete daarmee nihil werd, zodat de boete ook moest worden verminderd tot nihil.
Daarnaast oordeelde het Hof dat de bezwaar- en beroepsprocedure meer dan vijf jaar had geduurd, wat kan leiden tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het onderzoek werd daarom heropend om hierover een nadere uitspraak te kunnen doen.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en de boetebeschikking, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De zaak werd gelijktijdig behandeld met een vergelijkbare zaak van belanghebbendes echtgenote.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 2001 en vergrijpboete worden verminderd, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het onderzoek heropend voor immateriële schadevergoeding.