ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ5141
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M. Jurgens
- A.D.R.M. Boumans
- A. van Amsterdam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep op inkeerbepaling bij onjuiste aangifte loonbelasting 1998
In deze strafzaak stond centraal of verdachte terecht werd vervolgd voor het doen van een onjuiste aangifte loonbelasting over oktober 1998 door zijn feitelijke leiding aan het niet verwerken van toegekende optierechten. Verdachte voerde een beroep op de inkeerbepaling van artikel 69, lid 3, AWR, stellende dat de latere aangifte over december 1998 een correcte suppletieaangifte was. Het hof oordeelde echter dat deze aangifte onjuist was en niet kenbaar als correctie was gemaakt aan de Belastingdienst.
Het hof stelde vast dat verdachte en medeverdachte nagelaten hebben de Belastingdienst actief en duidelijk te informeren over de onjuiste aangifte en de aard van de correctie, waardoor het beroep op de inkeerbepaling faalde. De Belastingdienst werd hierdoor in de controle gehinderd.
Hoewel het bewezen werd geacht dat verdachte feitelijk leiding gaf aan het doen van de onjuiste aangifte, werd geen straf opgelegd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en het ontbreken van nieuwe incidenten. De zaak was na cassatie terugverwezen en ruim 14 jaar na het feit behandeld. Het hof achtte normmarkering voldoende gediend zonder strafoplegging.
Uitkomst: Verdachte is strafbaar verklaard voor onjuiste aangifte loonbelasting, maar er is geen straf opgelegd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.