ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ2858
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aftrek onderhoudsverplichtingen wegens ontbreken rechtens afdwingbare verplichting
Belanghebbende voerde in zijn aangifte inkomstenbelasting 2008 betalingen aan zijn toenmalige relatie op als aftrekbare onderhoudsverplichtingen. Deze betalingen omvatten onder meer maandelijkse bedragen, ziektekosten en een cursus Nederlands. De inspecteur weigerde deze aftrek omdat de betalingen niet voldeden aan de voorwaarden van artikel 6.3, eerste lid, onderdeel f, Wet IB 2001.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat de betalingen niet rechtens afdwingbaar waren en geen dringende morele verplichting in de zin van het Burgerlijk Wetboek vormden. Het hof bevestigt deze beoordeling en benadrukt dat een LAT-relatie geen grond is voor een dringende morele verplichting en dat een belofte aan derden onvoldoende is om een afdwingbare verplichting aan te nemen.
Het hof oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betalingen een rechtens afdwingbare onderhoudsverplichting zijn. Hierdoor zijn de betalingen niet aftrekbaar. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens worden geen kosten aan de wederpartij toegekend.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de betalingen niet als aftrekbare onderhoudsverplichtingen gelden omdat ze niet rechtens afdwingbaar zijn.