Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
f750.000 ofwel (...) € 340.335,16. (...)
€ 13.331,84 omzetbelasting, betaald.
€ 340.335 ten gevolge van haar aandeelhouders. Als [[J BV]] een derde was geweest had [belanghebbende] niet van deze 50% afgezien. Ik ben daarom van mening dat de € 340.335 tot de opbrengst van [belanghebbende] moet worden gerekend.
3.De uitspraken van de rechtbank
4.Geschil in hoger beroep
5.Beoordeling van het geschil
f2.000.000 zonder in de aangifte voor de vennootschapsbelasting over dat jaar het bedrag tot het belastbaar resultaat te rekenen. Blijkens de garantiestelling is een gedeelte van het verkoopbedrag onbetaald gebleven. In 2002 is in het kader van de afwikkeling van de rechtsverhoudingen met [J BV] overeengekomen dat zij [belanghebbende]
f750.000 zal betalen. Genoemd bedrag van
f750.000 vertegenwoordigt het nog niet aan [belanghebbende] betaalde gedeelte van de verkoopsom. De omstandigheid dat [belanghebbende] het volledige verschil tussen de aan- en verkoopprijs tot het resultaat over 2002 heeft gerekend, verhindert echter dat het gedeelte dat in 2003 is betaald wederom daartoe wordt gerekend. Het feit dat [belanghebbende] over 2002 het verschil niet tot het belastbaar resultaat heeft gerekend doet daar niet aan af. Evenmin dat de over het jaar 2002 opgelegde navorderingsaanslag ambtshalve is vernietigd.
6.Kosten
7.Beslissing
De beslissing is op 17 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.