ECLI:NL:GHAMS:2013:4905

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2013
Publicatiedatum
13 januari 2014
Zaaknummer
200.095.636-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 332 lid 3 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken reconventionele vordering

Appellanten zijn in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam waarin Stichting De Alliantie een vordering had ingesteld wegens huurachterstand. De Alliantie vorderde betaling van €1.042,20, bestaande uit hoofdsom en incassokosten. Appellanten betwistten de huurachterstand niet, maar stelden een schadevergoeding van €950,- wegens waterschade.

De kantonrechter had de vordering van appellanten niet als een reconventionele vordering aangemerkt, maar deze in mindering gebracht op de vordering van de Alliantie. Appellanten beriepen zich in hoger beroep op verrekening, maar richtten geen grief tegen het feit dat hun vordering niet als reconventionele vordering was aangemerkt. Hierdoor was het hof gebonden aan de vaststelling van de kantonrechter.

Omdat er geen sprake was van een reconventionele vordering, was de optelregel van artikel 332 lid 3 Rv Pro niet van toepassing en bedroeg de vordering waarover de kantonrechter moest beslissen niet meer dan €1.750,-. Dit betekende dat appellanten niet ontvankelijk waren in hun hoger beroep. Het hof veroordeelde appellanten in de kosten van het hoger beroep en verklaarde deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het hof verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep en veroordeelt hen in de kosten.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team II
zaaknummer: 200.095.636/01
zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam: CV 10-24763
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 december 2013
inzake

1.[appellant] en

2. [appellante],
wonende te [woonplaats],
appellanten,
advocaat: mr. J. Sietsma te Amsterdam,
tegen:
de stichting
STICHTING DE ALLIANTIE
gevestigd te Hilversum,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.H. Edens te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten] en de Alliantie genoemd.
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 19 juli 2011 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 19 april 2011, gewezen tussen de Alliantie als eiseres en [appellanten] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord.
[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van de Alliantie zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten, met rente.
De Alliantie heeft geconcludeerd tot bekrachtiging, met beslissing over de proceskosten.
Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.
Ten slotte is arrest gevraagd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid

2.1
De Alliantie heeft in deze zaak gevorderd dat [appellanten] vanwege een huurachterstand worden veroordeeld tot betaling van € 1.042,20, waarvan € 861,70 aan hoofdsom en € 178,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, met rente en kosten.
2.2
[appellanten] hebben de huurachterstand niet betwist maar schadevergoeding van in totaal € 950,00 gevorderd in verband met waterschade. Blijkens haar conclusie van repliek is de Alliantie is ervan uitgegaan dat [appellanten] daarmee een vordering in reconventie hebben ingesteld.
2.3
De kantonrechter heeft de vordering van [appellanten] echter niet als een reconventionele vordering aangeduid, doch deze (voor zover toegewezen) in mindering gebracht op de vordering van de Alliantie. [appellanten] hebben zich in hoger beroep op verrekening beroepen en geen grief gericht tegen het feit dat hun vordering niet als vordering in reconventie is aangemerkt. Het hof is daarom gebonden aan hetgeen de kantonrechter dienaangaande heeft vastgesteld.
2.4
Nu er geen sprake is van een vordering in reconventie, is de optelregel van artikel 332 lid 3 Rv Pro niet van toepassing. De vordering waarover de kantonrechter in eerste aanleg had te beslissen beloopt dus niet meer dan € 1.750,-. Dat betekent dat [appellanten] niet kunnen worden ontvangen in hun hoger beroep. Het hof zal aldus beslissen. [appellanten] zullen in de kosten van dit hoger beroep worden veroordeeld.

3.Beslissing

Het hof:
verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;
veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Alliantie begroot op € 649,-- aan verschotten en € 894,-- voor salaris;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, R.H. de Bock en J.H. Huijzer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 december 2013.